Christiaan Weststeijn is vermist, help zoeken!

januari 22nd, 2010

De broer van een vriend van mij is sinds 6 januari vermist.
Hij heet Christiaan Weststeijn, hij is 32 jaar en hij is 1.80.
Zijn familie is natuurlijk heel erg bezorgd. Als je enig idee hebt waar Christiaan kan zijn, bel dan alsjeblieft met de politie in Den Helder: 0900-8844.

Een filmpje over de zoektocht naar Christiaan was te zien bij “Hart van Nederland”, zie hier.

Hier is een poster, gemaakt door de familie, met het verzoek of iedereen die wil uitprinten en ophangen (het lukt me alleen het in hem in het klein te tonen, excuus).
Christiaanvermist.doc-3

Zomaar

januari 13th, 2010

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 7 januari 2010 in nrc.next.

Er is iets aan de hand met het woord ‘zomaar’. Vroeger werd zomaar alleen gebruikt om toeval of willekeur uit te drukken. “Waarom hebben jullie die afvalbak vernield?” “Kweenie. Zomaar.”
Nu heeft ‘zomaar’ weinig meer met zomaar te maken. Let er maar eens op. Hoe vaak hoor je tegenwoordig niet een gesprekje als dit: “Ga je nog naar de sportschool?” “Dat zou zomaar kunnen.” Daar zit geen toeval meer bij, deze persoon gaat zeker naar de sportschool, maar hij wil het op een relaxte, haast nonchalante manier uitdrukken.
Ook zonder dat er een vraag aan vooraf gaat, is ‘zomaar’ prima te gebruiken, indien gewenst uitgebreid met ‘ineens’: “Ik denk dat ik zomaar ineens een biertje ga nemen.” De gesprekspartner kan dan antwoorden: “Ja, doe eens gek.”
Het moderne ‘zomaar’ wordt vooral gebezigd door mensen die onproblematisch van aard zijn, of zo willen overkomen. Het omgekeerde van de zomaar-mens is de onmiddellijk-mens: “Ik wil dat die vuilniszakken onmiddellijk van de overloop verdwijnen!” De zomaar-mens zou dezelfde uitspraak zo formuleren: “Weet je wat zomaar heel erg leuk zou zijn? Als die vuilniszakken buiten gezet zouden worden.”
Interviewers bedienen zich ook graag en veel van ‘zomaar’. In dat geval heeft het te maken met het verschijnsel ‘voorgesprek’. Tijdens een voorgesprek wordt het hele interview alvast voorgekookt, waardoor het interview zelf alleen nog maar een toneelstukje is, waarin het voorgesprek wordt nagespeeld. Een tijdje geleden hoorde ik op de radio de interviewer tegen de geïnterviewde zeggen: “En nu denk ik zomaar dat er nog wel wat meer aan de hand is, met die polders.” “Nou inderdaad,” kan de geïnterviewde dan beginnen. En de luisteraar weet: deze vraag kwam niet uit de lucht vallen, hier was sprake van voorkennis. Dat de interviewer laat merken dat hij al weet wat het antwoord is, is slim; hij erkent dat het interview tot op zekere hoogte gescript is, maar die erkenning zelf lijkt spontaan en natuurlijk. En dan kom je zomaar ineens best professioneel over.

Oilballs

januari 1st, 2010

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 31 december 2009 in nrc.next.

Het zal wel niet officiëel onderzocht zijn, maar waarschijnlijk is Oud en Nieuw de feestdag waar mensen de meeste moeite mee hebben. Kerst is ook zwaar, maar Oud en Nieuw? Door de woorden ‘oud’ en ‘nieuw’ moet je vanzelf aan het verleden en de toekomst denken, waardoor je niet meer ‘in het moment’ kunt zijn. In de meeste andere landen focussen ze vooral op het nieuwe jaar (‘nouvel an’, ‘new year’s eve’). Ik hoorde iemand in winkel tegen een toerist zeggen: “Yes, these are oilballs and these are appleflaps, we eat those with Old and New!” De toerist begreep hier natuurlijk niets van, en verliet in overspannen toestand het pand.
Met Oud en Nieuw zijn wij extra kwetsbaar, omdat we bijvoorbeeld zitten te denken: “Vorig jaar was ik nog jong en onschuldig” of “Zou ik volgend jaar nou eindelijk mét een date naar ditzelfde klotefeest kunnen?”
Twaalf uur ‘s nachts is het moeilijkst. Je hebt met z’n allen afgeteld, je roept ‘Gelukkig Nieuwjaar!’, je gaat elkaar kussen. Maar wat zeg je tijdens dat kussen?
Er zijn mensen, en dat zijn vrijwel altijd vrouwen, die er echt een betekenisvol moment van willen maken. Dat is gevaarlijk. Die zeggen dan tegen de single vriendin: “Volgend jaar heb je een nieuwe vriend! Dat voel ik gewoon!” Of tegen de recente weduwnaar: “Ria is er ‘ergens’ nog bij, denk je ook niet?”
Het is beter om het om twaalf uur ‘s nachts heel oppervlakkig te houden. Gewoon een kus en nogmaals ‘gelukkig nieuwjaar’ zeggen. En that’s it.
Ook controll freaks moeten een beetje uitkijken met Oud en Nieuw. Van die mensen die tijdens het aftellen nog gaan zeggen: “Maar loopt die klok wel echt gelijk? Wacht ik zet de tv aan.” En tijdens het moment zelf al roepen: “De champagne moet open! Wie kan de champagne openmaken? Ik heb hier de glazen!” Controll freaks moeten zichzelf even een tandje lager zetten.
En dan wordt het vanzelf 2010.

Inconvenient, hè

december 30th, 2009

Deze taal voor de mensen verscheen op 17 december in nrc.next.

Bij de klimaattop in Kopenhagen blijkt maar weer: er wordt wat afgepraat over het klimaat. Los van of het klimaat weer terugveranderd kan/zal worden, staat in ieder geval vast dat de taal zich onherroepelijk heeft aangepast.
Vroeger heette het klimaat nog ‘het milieu’. En dat was een belangrijk onderwerp. Als spreekbeurten in de jaren tachtig niet over de zeehondjes of Ethiopië gingen, dan gingen ze over a) zure regen of b) het gat in de ozonlaag. De kinderen van vandaag moeten hem geloof ik allemaal doen over klimaatverandering, en meer specifiek: over een ijsbeer op een smeltende ijsschots.
Daarnaast zijn woorden als klimaatneutraal, CO2-uitstoot, biobrandstof, hybride en groene stroom normale woorden geworden. Ook zoiets: spaarlamp. Vroeger een heel obscuur woord voor de allergrootste geitenwollo’s, nu toch echt al weer een tijdje ook voor gewone mensen.
Voordat het klimaat iets was dat aan verandering onderhevig was, was ‘het weer’ het lievelingsgespreksonderwerp van de Nederlander. Door de klimaatverandering is dit onderwerp helaas verpest. Het is onmogelijk om nog een beetje vrijblijvend over ‘warm voor de tijd van het jaar’ te praten. Of over ‘te veel regen, mijn borders verzuipen erin’. Als je zoiets zegt, is er meteen iemand die zegt: “Jaaa… klimaatverandering he.” Met een bezorgde blik naar de lucht. Dat gebeurt bij extreem koud weer, of bij extreem warm weer, en trouwens ook bij weer dat warm noch koud is, maar meer ‘opmerkelijk gematigd’.
De film ‘An unconventient truth’, van Al Gore, was blijkbaar zo belangrijk dat de term meestal niet vertaald wordt. Vraagt iemand zich hardop af of we dit jaar een Elfstedentocht zouden krijgen, dan kun je twijfelachtig kijken en zeggen: “Nou ja, een inconvenient truth, hè.” Het fijne aan deze term is dat je niet echt inhoudelijk iets zegt, maar meer aangeeft dat je wel eens aan het klimaat denkt. En dat is in deze tijd natuurlijk altijd een pluspunt.
Er vindt ook creatieve taalvernieuwing plaats. Gehoord in een roddelgesprek over een vrouw: “En altijd maar dat gezeur over die spaarlampen… Ik vind haar echt een inconvenient trut.”

Knots

december 16th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 10 december 2009 in nrc.next

Zou het aan de feestdagen liggen? Dat ik ineens allemaal knusse woorden hoor? Het meeste knusse woord is natuurlijk ‘knus’ zelf. Ik heb al iemand met glinsterende ogen horen verklaren: “Ik ga gewoon de héle kerst lekker knus naast die kerstboom zitten!”
Andere knusse woorden zijn (en hier kunnen natuurlijk individuele verschillen bestaan): jottem, joepie, knurft, ratjetoe, snufferd, bups (‘met de hele bups’), en knots (in de betekenis van ‘gek’). Het woord ‘knots’ is groot gemaakt door de jeugdserie ‘de familie Knots’ (familie Knots, familie Knots, familie Knòòòts, ke-nots, ke-nots), 1980-1984.
Vorige week werd het woord ‘knots’ nieuw leven ingeblazen, en wel door een man van de politiebond. Hij had het over de wel erg gulle declaratiecultuur die onder politiechefs was ontstaan, en zei uit de grond van zijn hart: “Het is werkelijk van de knotse.”
De ‘van de’-constructie kenden we voorheen voornamelijk van ‘van de gekke’, soms ook gespeld als ‘van de gekken’. Als je verontwaardigd bent over dat de supermarkt helemaal geen oliebollenmix meer heeft terwijl het nota bene december is, dan kun je roepen: “Maar dat is toch van de gekke?”
Als variatie hierop heb ik ook wel eens gehoord: “Het is van de ratten besnuffeld.” Maar echt wijdverspreid is dat nooit geworden.
De uitdrukking ‘van de gekke’ vindt haar oorsprong in de cutting edge comedyserie Pipo de Clown (1958!–1980!), omdat Klukkluk de indiaan (nou ja, indiaan… blanke man met vlechten) dat om de haverklap zei. Inmiddels vindt niemand het meer Klukkluktaal, maar serieuze taal die je nu eenmaal nodig hebt als je verontwaardigd bent. “Vorig jaar stuurde ik driehonderd kerstkaarten. Driehonderd. En weet je hoe veel ik er terug kreeg? Vijf! Het is van de gekke.”
Om de ‘van de’-constructie te gebruiken met het woord ‘knots’ was helemaal nieuw. Hulde dus aan de man van de politiebond, die in deze duistere decemberdagen op uiterst knusse wijze zowel een hommage bracht aan Klukkluk als aan de gehele familie Knots. “Van de knotse.” Laten we proberen ‘m erin te houden.

Sintérklaas

december 15th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 3 december 2009 in nrc.next

Sinterklaasgedichten vormen een heel aparte categorie gedichten. Waarom? Omdat je ze nooit zelf mag voorlezen. Als een officiële dichter een gedicht schrijft, dan stopt hij dat in een bundel en weet hij niet wat er verder mee gebeurt, of hij gaat dat gedicht zelf met de juiste intonatie en op het juiste tempo voordragen op een poëzieavond.
Het moeilijke van het Sinterklaasgedicht is dat iemand anders jouw werk moet voorlezen, terwijl het misschien niet de beste poëzie is, qua rijm en metrum.
Stel dat een gedicht net niet lekker loopt, dan kan de Sinterklaasdichter dat oplossen door accenten te plaatsen op lettergrepen die eigenlijk de nadruk niet hebben: “Rob heeft een hevig temperament, maar Sint vindt: ‘Hij is tenminste wel levénd.’”
Hier nu ligt een heel terrein open voor mensen die zich ergeren aan klemtoongebruik. Want door het juiste gedicht te schrijven, kun je de ander jouw versie van het woord laten zeggen. Párfum of parfúm, bíologisch of biológisch, normalíter of normáliter. In de noordelijke provincies zegt iedereen ‘mét elkaar’, terwijl alles onder Drenthe ‘met elkáár’ zegt.
Zelf denk ik te weten dat het nótulen is en niet notúlen, maar ik bevind me in zó’n klein groepje gelijkgestemden dat het best kan dat we ongelijk hebben, of inmiddels door taalverandering ongelijk hebben gekregen. Wat niet wegneemt dat ik keihard in een gedicht mijn gelijk zou kunnen halen. (In praktijk probeer ik vaak iets te zeggen als nótúlen, dan zit ik ertussenin.)
Ik ken mensen die wisten dat het spel ‘Kolonisten van Catan’ oorspronkelijk uit Duitsland komt, en daarom altijd ‘cataan’ zeiden. In hun Sinterklaasgedicht hadden ze het op een ‘aan’-woord laten rijmen (‘geen reet aan?’ ‘hou dit spel bij mij vandaan?’). Dat werd niet begrepen; Catan werd gewoon als Catan voorgelezen het gedicht rijmde niet.
Want dat is natuurlijk ook een oplossing voor mensen die het gehad hebben met rijmschema’s en klemtonen – gewoon helemaal richting de free verse gaan. Beetje gedachten en gevoelens op papier knallen, en vervolgens in een hoekje heel interessant gaan zitten kijken.

Laf

december 14th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 26 november in nrc.next.

Gehoord op de radio: “Turkije laat wat mij betreft hier haar ware gezicht weer zien, een ondemocratisch, bang en laf land, wat nooit lid moet worden van de Europese Unie.” Dat was natuurlijk Geert Wilders.
Wat vooral bleef hangen was het woord ‘laf’. Ten eerste is dit een opmerkelijk woord om te gebruiken voor een land als geheel. Een land met laffe inwoners, alla (of hoe schrijf je dat eigenlijk? Allah?), maar het land zelf dat laf is? Het roept toch een beeld op van Geert Wilders die door Istanbul loopt en zegt: “Gadver. Wát een láffe brug zeg. En alweer zo’n laffe minaret. Bah.” ‘Laf’ geldt eigenlijk alleen voor mensen, soms voor daden, en verder voor een bak koffie of een waterig soepje in een jeugdherberg.
Daarnaast is het ongebruikelijk om ‘laf’ in combinatie met iets vrouwelijks (‘haar ware gezicht’) te horen. Raar is dat: “Wat een laffe man” is een volstrekt normale zin, maar “Wat een laffe vrouw” klinkt vreemd. Waarschijnlijk wordt hierin weerspiegeld dat alleen het geslacht dat sterk hoort te zijn, het in dapperheid af kan laten weten.
Bij lafheid hoort trouwens ook schaamte of schuldgevoel. Iemand die zich helemaal niet bewust is van zijn gebrek aan dapperheid, die fluitend wegloopt van zijn ondappere daad, die is niet laf. Bij laf hoort schichtig om je heen kijken.
Daarom zijn dieren ook vrijwel nooit laf. Eén keer slechts heb ik een laffe poes gezien. Die was een vette duif aan het besluipen en was zichtbaar blij over hoe stoer dit over moest komen op eventuele toeschouwers. Maar hoe dichterbij hij kwam, hoe duidelijker het werd dat de duif eigenlijk even groot was als de poes. De sluipgang werd steeds langzamer, waarna de poes omkeerde en met de staart tussen de benen afdroop, onderwijl om zich heenkijkend. Waarschijnlijk met het schaamrood op de kaken, maar dat kon je niet zien omdat er een vachtje overheen zat.

Bij wijze ván

december 8th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 19 november 2009 in nrc.next.

Wat ik al mijn hele leven ontzettend vaak hoor: de toevoeging ‘bij wijze van spreken’. “Handbal is alles voor ons. We willen de beste van het heelal worden, bij wijze van spreken.”
‘Bij wijze van spreken’ geeft aan dat je aan het overdrijven bent. Spreken is blijkbaar het geëigende medium om mee te overdrijven – het is in ieder geval niet gebruikelijk om op te schrijven: ‘bij wijze van schrijven’.
Er zijn mensen die zo dol zijn op ‘bij wijze van spreken’ dat ze het ook gebruiken als er helemaal niets te overdrijven valt. “We gingen bij wijze van spreken eerst naar Utrecht en van daaruit verder naar Den Bosch.” In zulk soort zinnen wordt ‘bij wijze van spreken’ als puur opvulsel gebruikt.
Alles wat veel gebruikt wordt, lijdt aan slijtage. Voor taal geldt dat ook. Hoe meer iets gebruikt wordt, hoe groter de kans dat het afgekort wordt.
Vroeger werd ‘bij wijze van spreken’ afgekort tot ‘bewijs van spreken’ – dat is de reden dat ik jarenlang heb gedacht dat die uitdrukking ook echt iets met bewijsvoering te maken had. Dat je op de een of andere manier bewees dat je net gesproken had; hoe het precies werkte wist ik niet, maar het klonk goed en officieel. Ik herinner me nog goed de teleurstelling toen ik ontdekte dat ‘bewijs’ ‘bij wijze’ was.
Tegenwoordig wordt ‘bij wijze van spreken’ anders afgekort. Tenminste, steeds vaker hoor ik mensen zinnen uiten als de volgende: “Istanbul is zo’n leuke stad! We hadden er wel willen blijven wonen. Bij wijze ván, dan.” De nadruk ligt geheel op het woord ‘van’. “Ik ga deze kerst echt alleen maar rauwe wortels eten. Bij wijze ván.”
‘Bij wijze van’ kan ook gebruikt worden om een uitspraak alsnog af te zwakken. “We vonden die film nou niet bepaald origineel ofzo…” Er wordt afkeurend gekeken, dus wordt snel toegevoegd: “…bij wijze ván, hè. Bij wijze van.”

Hoor

november 29th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 12 november 2009 in nrc.next.

Je hoort het heel vaak. Je weet precies wat ermee bedoeld wordt. En toch is een raar woord. Het woord ‘hoor’. Het is alleen een raar woord als het achter een zin wordt geplakt, als een soort geruststelling. “Komt wel goed, hoor.” Of: “Kies maar wat uit, hoor.”

Je vraagt je af hoe ‘hoor’ ooit die geruststellende bedoeling heeft gekregen. Zou het een afkorting zijn van ‘hoor je wat ik zeg’? Maar waarom zou dat dan geruststellend zijn? Wat heeft horen met geruststellen te maken? Mysterieus.

Er zijn niet zo veel werkwoorden die je op die manier achter een zin kan plakken. Je kunt het met ‘zeg’ doen. Maar als je ‘zeg’ ergens achter plakt (“Wat is dat een lekkere brownie, zeg”), dan fungeert dat alleen maar als een bevestiging van wat eerder al gezegd is. Met ‘hoor’ komt daarentegen de hele zin in een nieuw daglicht te staan.
Want wat is het geval met geruststellingen? Die zijn vaak niet zo geruststellend. “Ik zou me er maar niet zo druk over maken” is bijvoorbeeld meestal reden om je meteen heel erg druk te gaan maken.

Daarom is er een wereld van verschil tussen: “Ik vind mijn opleiding heel leuk,” en: “Ik vind mijn opleiding heel leuk, hoor.” In het laatste geval hangt er een ‘maar’ met het gewicht van een aambeeld in de lucht, klaar om te vallen.

In verreweg de meeste zinnen waar ‘hoor’ achter gezet wordt, wordt iets negatiefs uitgedrukt. “Leuk stukje heb je geschreven, hoor.” Hé, bedankt.

‘Hoor’ gaat wat dat betreft hand in hand met ‘heus’. Heus wil iets uitdrukken over waarachtigheid, maar het omgekeerde is natuurlijk het geval. “Het is heus niet mijn bedoeling om iemand hier de schuld te gaan geven…” Maar dat is bij dezen gebeurd.

‘Hoor’ en ‘heus’ kunnen trouwens ook gecombineerd worden, en dan weet je helemaal dat er iets loos is. “Ik vind je heus wel heel lief, hoor.” Jaja.

Vaccinatie

november 27th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 5 november 2009 in nrc.next.

Sinds de Mexicaanse griep waart, heb ik er weer extra veel last van. Ik hoor bijvoorbeeld op de radio: “De mensen in de risicogroepen krijgen een oproep tot vaccinatie.” Dan is mijn eerste gedachte: een oproep tot fascinatie? Hoe kun je nou worden opgeroepen worden ergens gefascineerd door te raken?

Deze vergissing is het gevolg van een flauwe grap die ik al zeker een decennium lang maak, en die daarom niet meer voelt als grap. Als iets fascinerend is, of het zou moeten zijn, dan zeg ik ‘vaccinerend’ (“Wat een vaccinerende notulen heb je gemaakt, echt mijn complimenten hoor.”). Met als gevolg dat ik nu ‘vaccinerend’ niet meer in de oorspronkelijke betekenis kan horen. Blijkbaar denk ik onbewust dat iedereen de ‘vaccinerend’-grap maakt, en dat iedereen het dus eigenlijk over ‘fascinerend’ heeft.

Ik heb het met meer uitspraken. Omdat ze voor mij niet meer als grappen voelen, breng ik ze ook helemaal niet goed. Elke keer als ik heel casual ‘wie schertst mijn verbazing’ zeg in plaats van ‘wie schetst mijn verbazing’, zie ik toehoorders kijken met een blik van: moet ik het nou verbeteren of niet? Epilépsie, zeg ik ook, in plaats van epilepsíé. Dat is niet eens grappig, alleen maar fout.

Los van dat dit soort vastgeroeste grappen zorgen voor verwarring bij de toehoorder en bij de spreker zelf, ligt ook nog het gevaar op de loer dat je op een gegeven moment écht niet meer weet hoe het nu eigenlijk moet. Jaren geleden begon ik van hoogleraren in ruste te zeggen dat ze ‘met emiraat’ zijn, in plaats van ‘met emeritaat’. Inmiddels moet ik elke keer dat ik ‘emeritaat’ zou willen zeggen (dat is gelukkig niet heel erg vaak) heel diep nadenken over wat het nu ook alweer was. Ik heb mezelf ook al eens betrapt op ‘de Verenigde Arabische Emeritaten’.

De vraag is natuurlijk waarom het überhaupt ook maar enigszins grappig zou zijn om dingen expres verkeerd uit te spreken. Een vaccinerend vraagstuk waar ik het antwoord nog niet op weet.