Kort Amerikaans (3)

maart 10th, 2010

Ik zit tijdelijk in San Francisco en schrijf vanuit daar een zevendelige serie over het Amerikaans. Deze aflevering verscheen op 4 maart 2010 in nrc.next.

Oprah doet het vaak. Dat ze ineens een heel erg duidelijk statement maakt, langzaam pratend, liefst met het woord ‘I’ erin. “I want you all to read this book and discuss it.” Elk woord krijgt evenveel nadruk. Het klinkt alsof Oprahs leven ervan afhangt.
Dit soort zinnen wordt niet alleen door Oprah uitgesproken. Iedereen in Amerika bedient zich ervan. Misschien doen ze collectief Oprah na (dat is een mogelijkheid), of misschien bestond het al vóór Oprah. Als je een winkel binnenkomt, zegt de kassamedewerker bijvoorbeeld: “I need you to leave your bag here behind the counter.” Of, toen ik sokken kocht en zei dat ik er geen tasje bij hoefde: “I support that decision.”
Soms doen de Amerikanen er ook een heel indringende blik bij, en slaan ze zó’n intense toon aan dat het lijkt alsof ze je stap voor stap gaan helpen bij het onschadelijk maken van een landmijn waar je per ongeluk op bent gestapt. Terwijl ze dan uiteindelijk iets futiels zeggen als: “I need you to spell your name for me.”
Eerst dacht ik dat het kwam omdat ik een buitenlander ben, zoals je in Nederland ook wel eens een welwillend persoon tegen iemand met een hoofddoek hoort zeggen: “WILT U DAAR EEN PLASTIC ZAKJE BIJ? ZAKJE? ERBIJ? IK ERBIJ DOEN?” Ook als de behoofddoekte prima Nederlands verstaat.
Maar hier in Amerika is het toch anders, want ze maken de ultra-indringende statements ook onderling. Voor Nederlanders een beetje vreemd, dat commanderende en toch behoeftige ‘I need you to’; in Nederland zijn we toch meer van ‘u mag hier even tekenen’. Ik zie het ook nog niet zo snel gebeuren dat Nederlanders gaan zeggen: “Het is voor mij noodzakelijk dat u hier tekent.”
Gelukkig moeten de Amerikanen van zichzelf na zo’n serieus moment altijd compenseren, en gaan ze je stralend en uitvoerig bedanken voor het opvolgen van hun bevel.

Kort Amerikaans 2

maart 7th, 2010

Ik zit tijdelijk in San Francisco en schrijf vanuit daar een zevendelige serie over het Amerikaans. Deze aflevering verscheen 25 februari in nrc.next

In Amerika kunnen ze alles beter, dat is bekend. Neem de sprekende computer. In Nederland klinkt een sprekende computer meestal als een vrouw die net een snijdende hoofdpijn voelt opkomen. Daarnaast is ze ook half doof, waardoor je honderd keer moet roepen “Amsterdam Centraal! Amsterdam Centraal!” (computer: “Bedoelde u: Meppel?”).
In Amerika is de sprekende computer een frisgewassen man die een geanimeerd gesprekje met je voert. Stel, je tassen zijn kwijtgeraakt tijdens een vliegreis. Dan bel je de luchtvaartmaatschappij op, en zegt hij: “Ik ben een computer, en ik zal je zo goed mogelijk proberen te helpen.” Als hij je naam niet verstaat, omdat je bijvoorbeeld Cornelisse heet, dan zegt hij: “No problem, let’s try it this way – please spell your name for me.” Alles op opgewekte toon, die gek genoeg toch niet irritant is.
Het beste aan de sprekende computer is dat hij ook ‘hm’ zegt. Dus: “Hm. I can’t seem to locate your luggage. Let me put you through to one of our bagage-service representatives.” Degene die dat ‘hm’ in de computer geprogrammeerd heeft, moet een prijs krijgen.
Als je uiteindelijk een echt mens aan de telefoon krijgt, dan valt al meteen op: de Amerikaanse telefoonmedewerker gebruikt het woord ‘ik’. Dat moet ik een Nederlandse instantie nog zien doen. Als je in Nederland een instantie aan de telefoon krijgt, dan is het “wij vinden het heel vervelend dat dit gebeurd is” en “wij kunnen daar geen verantwoordelijkheid voor nemen.” Ik ben wel eens kwaad geworden aan de telefoon, waarop degene aan de andere kant van de lijn zei: “Maar ik bén niet het Singer Museum.” Nee, maar aangezien het museum zelf niet aan de telefoon kan komen, ben je als telefonist toch wel het eerste aanspreekpunt.
In Amerika is dat dus anders, want zelfs de laagste telefoonslaaf ziet zichzelf als representant van de organisatie. Als je tassen dus zijn kwijtgeraakt, put deze ‘ik’ zich uit in excuses, en komt ongevraagd met het volgende: “I would like to make it up to you in some way.” En dan krijg je een tegoedbon.

Kort Amerikaans 1

maart 3rd, 2010

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 18 februari 2010 in nrc.next

Dit is deel één van een zevendelige serie. Ik zal mij de komende weken in de Verenigde Staten ophouden, omdat ik heb gehoord dat ze daar een heel andere taal spreken dan hier, namelijk het Amerikaans.
Het Amerikaans is van grote invloed op het Nederlands. Er zijn allerlei woorden die we rechtstreeks van de Amerikanen hebben overgenomen omdat het te veel moeite was om zelf iets anders te verzinnen. Website. E-mail. Stalker. Er zijn taalpuristen die dit schandelijk vinden, maar gewone mensen zoals jij en ik vinden het vooral handig dat iemand anders alvast een woord heeft bedacht voor een nieuw begrip.
Daarnaast zijn er ook taaltrends die wij wel overnemen, maar vertaald. De Amerikanen begonnen met ‘like’; “It was, like, really cool.” Kort daarop kregen we de vertaling in het Nederlands: ‘zeg maar’. “Het was, zeg maar, heel leuk.” ‘Je ding doen’ en de uitdrukking dat iets ‘je ding’ kan zijn, is nog veel letterlijker uit het Amerikaans vertaald.
Dan zijn er nog de woorden en uitroepjes die onvertaald worden overgenomen, ook al zouden we ze prima in het Nederlands kunnen uitdrukken. Denk aan ‘oh my God’, ‘loser’, ‘shit’ en ‘no way’. Redelijk recent is daar ook ‘way’ aan toegevoegd: “Ik ben echt way toe aan vakantie.” Dat laatste wordt nu nog alleen gebruikt door meisjes van drieëntwintig, maar let op, het kan zich elk moment gaan verspreiden.
En dan zijn er nog de uitdrukkingen die alleen door de coolste mensen in de samenleving worden gebruikt. Laatst zei een coole neef van mij over een andere coole neef: “Ja, hij heeft echt swagger.” Ik begreep het een beetje, maar niet helemaal. Ik begreep vooral dat mijn neef veel dichter op de taalimport uit Amerika zit dan ik.
Dus dit is mijn doel: ik ga naar Amerika om te horen wat ze daar allemaal zeggen. Zodat ik er bovenop zit. En ik kan voorspellen wat voor nieuwe toevoegingen het Nederlands binnenkort krijgt. Not.

Voor mij

maart 3rd, 2010

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen, als ik het me goed herinner, op 27 januari 2010 in nrc.next.

In veel Nederlandse huishoudens schijnt de vrouw regelmatig te zeggen: “Lieverd. Wil jij voor mij de vuilniszakken even buiten zetten?” En dan doet de man dat.
Het gaat me om dat ‘voor mij’. Want worden hier de vuilniszakken eigenlijk wel voor mevrouw buiten gezet? Volgens mij niet. Het vuilniszakken buitenzetten gebeurt net zo goed voor mijnheer zelf, en het ‘voor mij’ had dus achterwege gelaten kunnen worden.
‘Voor mij’ vertelt meestal iets over degene die de baas is. Als op kantoor iemand zegt: “Janneke, zou jij voor mij even de notulen willen kopiëren,” dan is het bijna zeker dat Janneke de ondergeschikte is. Als er een ‘voor mij’-verzoek tussen mensen met gelijke functie gedaan wordt, dan moet er namelijk altijd een verzachtende omstandigheid bijgenoemd worden. Bijvoorbeeld: “Ga je naar de koffiehoek? Zou je dan voor mij ook koffie willen meenemen? Héél erg bedankt.”
Als een vrouw aan haar man vraagt: “Wil jij voor mij de vuilniszakken buiten zetten,” dan zegt ze dus eigenlijk: “Wat betreft de verdeling van de huishoudelijke taken ben ik de baas.”
‘Voor jou’ is een stuk minder beladen met hiërarchie. Wel weer met iets anders, ook heel raars. Onlangs ontdekt, op een voorgeproduceerde stationsboterham in een driehoekverpakking: “Speciaal voor jou belegd met verse ingrediënten!” Deze tekst was in een zogenaamd handgeschreven lettertype geplaatst, alsof een of andere ambachtelijke boterhammengoeroe dat er inderdaad nog even speciaal voor mij opgeschreven had.
Dit moet persoonlijk overkomen, je moet er een warm wollig gevoel van krijgen, maar het is zo duidelijk juist heel onpersoonlijk, dat het omgekeerde gebeurt. Je ziet zo’n tekst, en denkt: “Jaja. Stelletje huichelaars. Dan zullen die ingrediënten ook wel niet vers zijn. Tsss.” Wat volgens mij veel beter zou werken is als je er met een gewone letter op zou drukken: “Boterham. Verse indrediënten. Vandaag verpakt.” Of iets dergelijks.
Maar ja, er zullen wel weer marketingdeskundigen zijn die hebben uitgezocht dat we óndanks irritatie over dat nep-persoonlijke, toch liever de ‘handgeschreven’ verpakking willen waarin een boterham zit die speciaal voor ons schijnt te zijn.
Nou, voor mij hoeft het allemaal niet

Zomaar

januari 13th, 2010

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 7 januari 2010 in nrc.next.

Er is iets aan de hand met het woord ‘zomaar’. Vroeger werd zomaar alleen gebruikt om toeval of willekeur uit te drukken. “Waarom hebben jullie die afvalbak vernield?” “Kweenie. Zomaar.”
Nu heeft ‘zomaar’ weinig meer met zomaar te maken. Let er maar eens op. Hoe vaak hoor je tegenwoordig niet een gesprekje als dit: “Ga je nog naar de sportschool?” “Dat zou zomaar kunnen.” Daar zit geen toeval meer bij, deze persoon gaat zeker naar de sportschool, maar hij wil het op een relaxte, haast nonchalante manier uitdrukken.
Ook zonder dat er een vraag aan vooraf gaat, is ‘zomaar’ prima te gebruiken, indien gewenst uitgebreid met ‘ineens’: “Ik denk dat ik zomaar ineens een biertje ga nemen.” De gesprekspartner kan dan antwoorden: “Ja, doe eens gek.”
Het moderne ‘zomaar’ wordt vooral gebezigd door mensen die onproblematisch van aard zijn, of zo willen overkomen. Het omgekeerde van de zomaar-mens is de onmiddellijk-mens: “Ik wil dat die vuilniszakken onmiddellijk van de overloop verdwijnen!” De zomaar-mens zou dezelfde uitspraak zo formuleren: “Weet je wat zomaar heel erg leuk zou zijn? Als die vuilniszakken buiten gezet zouden worden.”
Interviewers bedienen zich ook graag en veel van ‘zomaar’. In dat geval heeft het te maken met het verschijnsel ‘voorgesprek’. Tijdens een voorgesprek wordt het hele interview alvast voorgekookt, waardoor het interview zelf alleen nog maar een toneelstukje is, waarin het voorgesprek wordt nagespeeld. Een tijdje geleden hoorde ik op de radio de interviewer tegen de geïnterviewde zeggen: “En nu denk ik zomaar dat er nog wel wat meer aan de hand is, met die polders.” “Nou inderdaad,” kan de geïnterviewde dan beginnen. En de luisteraar weet: deze vraag kwam niet uit de lucht vallen, hier was sprake van voorkennis. Dat de interviewer laat merken dat hij al weet wat het antwoord is, is slim; hij erkent dat het interview tot op zekere hoogte gescript is, maar die erkenning zelf lijkt spontaan en natuurlijk. En dan kom je zomaar ineens best professioneel over.

Oilballs

januari 1st, 2010

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 31 december 2009 in nrc.next.

Het zal wel niet officiëel onderzocht zijn, maar waarschijnlijk is Oud en Nieuw de feestdag waar mensen de meeste moeite mee hebben. Kerst is ook zwaar, maar Oud en Nieuw? Door de woorden ‘oud’ en ‘nieuw’ moet je vanzelf aan het verleden en de toekomst denken, waardoor je niet meer ‘in het moment’ kunt zijn. In de meeste andere landen focussen ze vooral op het nieuwe jaar (‘nouvel an’, ‘new year’s eve’). Ik hoorde iemand in winkel tegen een toerist zeggen: “Yes, these are oilballs and these are appleflaps, we eat those with Old and New!” De toerist begreep hier natuurlijk niets van, en verliet in overspannen toestand het pand.
Met Oud en Nieuw zijn wij extra kwetsbaar, omdat we bijvoorbeeld zitten te denken: “Vorig jaar was ik nog jong en onschuldig” of “Zou ik volgend jaar nou eindelijk mét een date naar ditzelfde klotefeest kunnen?”
Twaalf uur ‘s nachts is het moeilijkst. Je hebt met z’n allen afgeteld, je roept ‘Gelukkig Nieuwjaar!’, je gaat elkaar kussen. Maar wat zeg je tijdens dat kussen?
Er zijn mensen, en dat zijn vrijwel altijd vrouwen, die er echt een betekenisvol moment van willen maken. Dat is gevaarlijk. Die zeggen dan tegen de single vriendin: “Volgend jaar heb je een nieuwe vriend! Dat voel ik gewoon!” Of tegen de recente weduwnaar: “Ria is er ‘ergens’ nog bij, denk je ook niet?”
Het is beter om het om twaalf uur ‘s nachts heel oppervlakkig te houden. Gewoon een kus en nogmaals ‘gelukkig nieuwjaar’ zeggen. En that’s it.
Ook controll freaks moeten een beetje uitkijken met Oud en Nieuw. Van die mensen die tijdens het aftellen nog gaan zeggen: “Maar loopt die klok wel echt gelijk? Wacht ik zet de tv aan.” En tijdens het moment zelf al roepen: “De champagne moet open! Wie kan de champagne openmaken? Ik heb hier de glazen!” Controll freaks moeten zichzelf even een tandje lager zetten.
En dan wordt het vanzelf 2010.

Inconvenient, hè

december 30th, 2009

Deze taal voor de mensen verscheen op 17 december in nrc.next.

Bij de klimaattop in Kopenhagen blijkt maar weer: er wordt wat afgepraat over het klimaat. Los van of het klimaat weer terugveranderd kan/zal worden, staat in ieder geval vast dat de taal zich onherroepelijk heeft aangepast.
Vroeger heette het klimaat nog ‘het milieu’. En dat was een belangrijk onderwerp. Als spreekbeurten in de jaren tachtig niet over de zeehondjes of Ethiopië gingen, dan gingen ze over a) zure regen of b) het gat in de ozonlaag. De kinderen van vandaag moeten hem geloof ik allemaal doen over klimaatverandering, en meer specifiek: over een ijsbeer op een smeltende ijsschots.
Daarnaast zijn woorden als klimaatneutraal, CO2-uitstoot, biobrandstof, hybride en groene stroom normale woorden geworden. Ook zoiets: spaarlamp. Vroeger een heel obscuur woord voor de allergrootste geitenwollo’s, nu toch echt al weer een tijdje ook voor gewone mensen.
Voordat het klimaat iets was dat aan verandering onderhevig was, was ‘het weer’ het lievelingsgespreksonderwerp van de Nederlander. Door de klimaatverandering is dit onderwerp helaas verpest. Het is onmogelijk om nog een beetje vrijblijvend over ‘warm voor de tijd van het jaar’ te praten. Of over ‘te veel regen, mijn borders verzuipen erin’. Als je zoiets zegt, is er meteen iemand die zegt: “Jaaa… klimaatverandering he.” Met een bezorgde blik naar de lucht. Dat gebeurt bij extreem koud weer, of bij extreem warm weer, en trouwens ook bij weer dat warm noch koud is, maar meer ‘opmerkelijk gematigd’.
De film ‘An unconventient truth’, van Al Gore, was blijkbaar zo belangrijk dat de term meestal niet vertaald wordt. Vraagt iemand zich hardop af of we dit jaar een Elfstedentocht zouden krijgen, dan kun je twijfelachtig kijken en zeggen: “Nou ja, een inconvenient truth, hè.” Het fijne aan deze term is dat je niet echt inhoudelijk iets zegt, maar meer aangeeft dat je wel eens aan het klimaat denkt. En dat is in deze tijd natuurlijk altijd een pluspunt.
Er vindt ook creatieve taalvernieuwing plaats. Gehoord in een roddelgesprek over een vrouw: “En altijd maar dat gezeur over die spaarlampen… Ik vind haar echt een inconvenient trut.”

Knots

december 16th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 10 december 2009 in nrc.next

Zou het aan de feestdagen liggen? Dat ik ineens allemaal knusse woorden hoor? Het meeste knusse woord is natuurlijk ‘knus’ zelf. Ik heb al iemand met glinsterende ogen horen verklaren: “Ik ga gewoon de héle kerst lekker knus naast die kerstboom zitten!”
Andere knusse woorden zijn (en hier kunnen natuurlijk individuele verschillen bestaan): jottem, joepie, knurft, ratjetoe, snufferd, bups (‘met de hele bups’), en knots (in de betekenis van ‘gek’). Het woord ‘knots’ is groot gemaakt door de jeugdserie ‘de familie Knots’ (familie Knots, familie Knots, familie Knòòòts, ke-nots, ke-nots), 1980-1984.
Vorige week werd het woord ‘knots’ nieuw leven ingeblazen, en wel door een man van de politiebond. Hij had het over de wel erg gulle declaratiecultuur die onder politiechefs was ontstaan, en zei uit de grond van zijn hart: “Het is werkelijk van de knotse.”
De ‘van de’-constructie kenden we voorheen voornamelijk van ‘van de gekke’, soms ook gespeld als ‘van de gekken’. Als je verontwaardigd bent over dat de supermarkt helemaal geen oliebollenmix meer heeft terwijl het nota bene december is, dan kun je roepen: “Maar dat is toch van de gekke?”
Als variatie hierop heb ik ook wel eens gehoord: “Het is van de ratten besnuffeld.” Maar echt wijdverspreid is dat nooit geworden.
De uitdrukking ‘van de gekke’ vindt haar oorsprong in de cutting edge comedyserie Pipo de Clown (1958!–1980!), omdat Klukkluk de indiaan (nou ja, indiaan… blanke man met vlechten) dat om de haverklap zei. Inmiddels vindt niemand het meer Klukkluktaal, maar serieuze taal die je nu eenmaal nodig hebt als je verontwaardigd bent. “Vorig jaar stuurde ik driehonderd kerstkaarten. Driehonderd. En weet je hoe veel ik er terug kreeg? Vijf! Het is van de gekke.”
Om de ‘van de’-constructie te gebruiken met het woord ‘knots’ was helemaal nieuw. Hulde dus aan de man van de politiebond, die in deze duistere decemberdagen op uiterst knusse wijze zowel een hommage bracht aan Klukkluk als aan de gehele familie Knots. “Van de knotse.” Laten we proberen ‘m erin te houden.

Sintérklaas

december 15th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 3 december 2009 in nrc.next

Sinterklaasgedichten vormen een heel aparte categorie gedichten. Waarom? Omdat je ze nooit zelf mag voorlezen. Als een officiële dichter een gedicht schrijft, dan stopt hij dat in een bundel en weet hij niet wat er verder mee gebeurt, of hij gaat dat gedicht zelf met de juiste intonatie en op het juiste tempo voordragen op een poëzieavond.
Het moeilijke van het Sinterklaasgedicht is dat iemand anders jouw werk moet voorlezen, terwijl het misschien niet de beste poëzie is, qua rijm en metrum.
Stel dat een gedicht net niet lekker loopt, dan kan de Sinterklaasdichter dat oplossen door accenten te plaatsen op lettergrepen die eigenlijk de nadruk niet hebben: “Rob heeft een hevig temperament, maar Sint vindt: ‘Hij is tenminste wel levénd.’”
Hier nu ligt een heel terrein open voor mensen die zich ergeren aan klemtoongebruik. Want door het juiste gedicht te schrijven, kun je de ander jouw versie van het woord laten zeggen. Párfum of parfúm, bíologisch of biológisch, normalíter of normáliter. In de noordelijke provincies zegt iedereen ‘mét elkaar’, terwijl alles onder Drenthe ‘met elkáár’ zegt.
Zelf denk ik te weten dat het nótulen is en niet notúlen, maar ik bevind me in zó’n klein groepje gelijkgestemden dat het best kan dat we ongelijk hebben, of inmiddels door taalverandering ongelijk hebben gekregen. Wat niet wegneemt dat ik keihard in een gedicht mijn gelijk zou kunnen halen. (In praktijk probeer ik vaak iets te zeggen als nótúlen, dan zit ik ertussenin.)
Ik ken mensen die wisten dat het spel ‘Kolonisten van Catan’ oorspronkelijk uit Duitsland komt, en daarom altijd ‘cataan’ zeiden. In hun Sinterklaasgedicht hadden ze het op een ‘aan’-woord laten rijmen (‘geen reet aan?’ ‘hou dit spel bij mij vandaan?’). Dat werd niet begrepen; Catan werd gewoon als Catan voorgelezen het gedicht rijmde niet.
Want dat is natuurlijk ook een oplossing voor mensen die het gehad hebben met rijmschema’s en klemtonen – gewoon helemaal richting de free verse gaan. Beetje gedachten en gevoelens op papier knallen, en vervolgens in een hoekje heel interessant gaan zitten kijken.

Laf

december 14th, 2009

Deze ‘taal voor de mensen’ verscheen op 26 november in nrc.next.

Gehoord op de radio: “Turkije laat wat mij betreft hier haar ware gezicht weer zien, een ondemocratisch, bang en laf land, wat nooit lid moet worden van de Europese Unie.” Dat was natuurlijk Geert Wilders.
Wat vooral bleef hangen was het woord ‘laf’. Ten eerste is dit een opmerkelijk woord om te gebruiken voor een land als geheel. Een land met laffe inwoners, alla (of hoe schrijf je dat eigenlijk? Allah?), maar het land zelf dat laf is? Het roept toch een beeld op van Geert Wilders die door Istanbul loopt en zegt: “Gadver. Wát een láffe brug zeg. En alweer zo’n laffe minaret. Bah.” ‘Laf’ geldt eigenlijk alleen voor mensen, soms voor daden, en verder voor een bak koffie of een waterig soepje in een jeugdherberg.
Daarnaast is het ongebruikelijk om ‘laf’ in combinatie met iets vrouwelijks (‘haar ware gezicht’) te horen. Raar is dat: “Wat een laffe man” is een volstrekt normale zin, maar “Wat een laffe vrouw” klinkt vreemd. Waarschijnlijk wordt hierin weerspiegeld dat alleen het geslacht dat sterk hoort te zijn, het in dapperheid af kan laten weten.
Bij lafheid hoort trouwens ook schaamte of schuldgevoel. Iemand die zich helemaal niet bewust is van zijn gebrek aan dapperheid, die fluitend wegloopt van zijn ondappere daad, die is niet laf. Bij laf hoort schichtig om je heen kijken.
Daarom zijn dieren ook vrijwel nooit laf. Eén keer slechts heb ik een laffe poes gezien. Die was een vette duif aan het besluipen en was zichtbaar blij over hoe stoer dit over moest komen op eventuele toeschouwers. Maar hoe dichterbij hij kwam, hoe duidelijker het werd dat de duif eigenlijk even groot was als de poes. De sluipgang werd steeds langzamer, waarna de poes omkeerde en met de staart tussen de benen afdroop, onderwijl om zich heenkijkend. Waarschijnlijk met het schaamrood op de kaken, maar dat kon je niet zien omdat er een vachtje overheen zat.